Skip to content
De Nederlandse Rett Syndroom Vereniging vertegenwoordigt alle personen met Rett syndroom in Nederland

Gepubliceerd in: 2022

Door dr. Margje Sinnema, klinisch geneticus en dr. Merel Klaassens, kinderarts, beiden werkzaam bij het Maastricht UMC+ en betrokken bij het Rett Expertise Centrum Nederland.

De meeste meisjes met Rett syndroom op basis van een MECP2 mutatie zijn hiermee de enige in de familie. Het risico voor broertjes en zusjes is afhankelijk van de situatie bij ouders. Genetisch onderzoek bij ouders is dan ook altijd aangewezen om een uitspraak te kunnen doen over het herhalingsrisico.

Meestal is er sprake van een nieuw ontstane (zogenaamde “de novo”) mutatie. Dat wil zeggen dat de mutatie niet wordt aangetoond in het bloed van de ouders. De mutatie ontstaat op het moment van de vorming van de eicel of de zaadcel. Er komt dan een verandering in de leescode van het gen en het kind dat groeit uit het embryo dat gemaakt wordt door deze zaadcel of eicel heeft dus een MECP2-mutatie. Waardoor die mutatie precies ontstaat, is onbekend. Het risico voor een broertje of zusje met Rett syndroom is in dit geval klein, want zij groeien uit een andere eicel of zaadcel. Maar het is wel iets hoger dan normaal in de bevolking. Dit komt door de mogelijkheid van kiembaanmozaïcisme.

Bij kiembaanmozaïcisme is de aanleg bij één van de ouders aanwezig in een groepje eicellen of zaadcellen. Daarnaast heeft die ouder ook ei- of zaadcellen zonder de aanleg. Als bij een volgende zwangerschap opnieuw een ei- of zaadcel mét de aanleg betrokken is, zal het kind opnieuw Rett syndroom hebben. Uit ervaring blijkt dat de kans hierop echter heel klein is (<1%).

Heel soms zien we dat er meerdere kinderen in een gezin een MECP2-mutatie hebben doordat hun moeder zelf een MECP2-mutatie heeft. Vaak heeft zij hier geen of nauwelijks kenmerken van. Er bestaan theorieën over het ingewikkelde mechanisme hierachter, het voert te ver om deze hier in detail te beschrijven.

En hoe werkt het bij een tweeling? Een eeneiige tweeling ontstaat uit één eicel die bevrucht is door één zaadcel. Hierdoor ontwikkelen de kindjes zich altijd in twee sterk op elkaar lijkende kindjes. Kort na de bevruchting splits de bevruchte eicel zich in tweeën. In dit geval is het genetisch materiaal van beide kinderen identiek, en kunnen ze dus beiden Rett syndroom hebben. Een twee-eiige tweeling ontstaat wanneer twee aparte eicellen op hetzelfde moment bevrucht worden door twee zaadcellen. Het erfelijk materiaal van een twee-eiige tweeling is daarmee niet precies hetzelfde. Twee-eiige tweelingkinderen kunnen net zo veel of weinig op elkaar lijken als de andere kinderen uit het gezin. Het kan dus zo zijn dat een van beiden Rett syndroom heeft en de andere niet.

Heeft u op basis van het bovenstaande algemene verhaal vragen over erfelijkheid en het herhalingsrisico in uw eigen familie? Heeft u een kinderwens of zorgen om de andere kinderen in uw gezin? Dan kunt u met deze vragen terecht bij een klinisch geneticus. De huisarts of kinderarts kan hiervoor desgewenst verwijzen. Uiteraard geldt dit ook voor informatie wat betreft erfelijkheid van de atypische oorzaken van Rett syndroom.

Back To Top